Onze-Lieve-Vrouwekathedraal
Van Kapel tot Parochiekerk
De oudste betrouwbare vermelding van Onze-Lieve-Vrouwekerk
dateert evenwel van 1124 en houdt verband met haar verheffing tot parochiekerk.
In dat jaar werd het kapittel van Sint-Michiel omgevormd tot norbertijnerabdij,
de later zo machtige maar nu helaas verdwenen Sint-Michielsabdij. Acht
van de twaalf kanunniken verhuisden naar de Onze-Lieve-Vrouwekapel en
vormden daar een nieuw kapittel dat het overgrote deel van de parochierechten
voor Antwerpen verwierf, en jaren later ook de nog resterende rechten.[20]
Een Romaanse kerk
Pas de laatste opgravingen (1983-1990) gaven enig inzicht
in het plan en de omvang van de Romaanse voorganger van de huidige kerk.
De archeologen legden toen de funderingen bloot van een klaverbladvormige
koorpartij die naar alle waarschijnlijkheid aansloot op een driebeukig
schip, waarvan de middenbeuk en de zijbeuken ongeveer dezelfde breedte
hadden als de huidige middenbeuk en de onmiddellijk daarbij aansluitende
zijbeuken.[20]
De nieuwe rijkdom had rechtstreeks gevolgen voor de kerk.
Zo was de eerste helft van de veertiende eeuw bijzonder rijk aan nieuwe
kapelaniestichtingen, de meeste in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Bij zulke
gelegenheden ontstonden de altaren van de Heilige Cecilia, de Heilige
Aghata, Onze-Lieve-Vrouw "in nono opere", Sint-Andries, Sint-Joos,
de Heilige Barbara, de elfduizend Maagden, Sint-Laurentius, het heilig
Kruis, Sint-Eligius en Maria Magdalena. Op dit groot aantal altaren
was de oude kerk niet voorzien. Ze was gebouwd in een periode dat slechts
een of twee altaren gangbaar waren, een kooroffice van het kapittel
en een voor de parochie. Het gevolg laat zich raden. Een nieuw gebruik
van de kerkruimte in een florerende stad, de noodzaak van een groter
kerkgebouw en de aanwezigheid van de middelen doen besluiten om een
nieuwe, moderne en dus gotische constructie.[20]

De grootste gotische kerk
der Nederlanden
In 1352 wordt, volgens een anonieme kroniek, de bouw aangevat
van de huidige kerk, wat haar meteen een van de jongste in de reeks
van de grote gotische kerken in Brabant maakt. Wie, in die wetenschap,
verwacht dat het grondplan van de kerk, na een studie van de andere
Brabantse voorbeelden, tot een uitgebalanceerd en coherent geheel uitgroeide,
komt bedrogen uit.[20]
De oude kerk werd niet zomaar geheel of gedeeltelijk afgebroken
om plaats te ruimen voor de nieuwe. Deze werd integendeel om de oude
heen gebouwd om de religieuze diensten zo weinig mogelijk te hinderen.
De laatste resten zouden pas in 1482-1487 gesloopt worden. Misschien
moet precies in die bouwpraktijk en in de afmetingen van het Romaanse
gebouw de oorzaak gezocht worden voor de ietwat merkwaardige verhoudingen
tussen lengte en breedte van de verschillende traveeën.[20]

Opmerkelijk is wel dat omstreeks 1450, bij de bouw van
de zesde en zevende beuk, ook voor het eerst melding gemaakt werd van
altaren voor de schuttersgilden en ambachten. Het aantal gilden en ambachten
dat een eigen altaar wenste liep zo sterk op dat verscheidene onder
hen het altaar moesten delen.De laatste helft van de vijftiende eeuw
zet zich dus duidelijk een volgende fase in van de "veraltaring"
van het nog onvoltooide kerkgebouw. De werken aan de zuidertoren werden
grotendeels bekostigd door de stad Antwerpen, die in tegenstelling met
de grote Vlaamse steden niet over een belfort beschikte. Deze werken
waren omstreeks 1475 stilgevallen en ook de bouw van de vieringtoren
was letterlijk in het dak blijven steken, ten voordele van de verdere
afwerking van het kerkschip. Het nieuwe opzet getuigt van voorspoedige
tijden. Het bevolkingsaantal was gestegen tot ongeveer 60.000 zielen
en maakte Antwerpen tot een van de grootste steden benoorden de Alpen.
Uit berekeningen op basis van de bekende opbrengsten van een belastingheffing
op de totale uitvoer van de noordelijke en zuiderlijke Nederlanden voor
1543-1545, blijkt dat de stad Antwerpen ruim tachtig procent van deze
uitvoer voor haar rekening nam. [20]

In 1519 kregen meester Rombout (Keldermans) en meester
Dominicus (de Waghemakere) opdracht alsvat een koor voor de nieuwe kerk
te ontwerpen. Op 14 juli 1521 werd door Karel V, daarin bijgestaan door
koning Christiaan van Denemarken, de eerste steen gelegd. Het moment
kon nauwelijks slechter gekozen zijn. Daags voordien waren te Antwerpen
voor het eerst in het openbaar boeken van Maarten Luther verbrand. Bovendien
eisten ook andere Antwerpse kerken in opbouw hun deel.daardoor daalden
de inkomsten uit giften en erflatingen precies in deze jaren spectaculair. [20]
Het grootscheepse project zou echter geen lang leven beschoren
zijn. In 1533 brak brand uit in de kerk Het herstel van de brandschade
had wel tot gevolg dat de plannen voor het "nieuw werk" tenminste
tijdelijk werden opgeborgen. Alle beschikbare middelen werden ingezet
om de normale voortgang van de eredienst zo snel mogelijk te verzekeren.
Van uitstel kwam afstel. [20]

Anoniem, Aanbidding der Koningen, 1537, gebrandschilderd
glas
Het glasraam met de aanbidding der koningen in de noordwand
van de middenbeuk is een schenking van de Antwerpse koopman en buitenburgemeester
Ferdinand Dessa en zijn echtgenote Barbera Rockox. Samen met hun zonen,
dochters en patroonheiligen werden ze geportretteerd in het onderste
register van het raam
Beeldenstorm
De kerk was nog maar nauwelijks terug ingericht toen
in 1566 de eerste beeldenstorm uitbrak.Op 9 september 1566 beval de
stadsmagistraat de ambachten hun altaren weer op te richten. De onrust
was evenwel nooit weg. Van 4 tot 7 november 1576 woedde de "Spaanse
Furie" over de stad. De kathedraal bleef wonderwel gespaard,
maar werd uit voorzorg enkele dagen gesloten. Twee jaar later kwam de
stad onder calvinistische dekens aan het hoofd van de ambachten. in
1581 vroegen zowel de zes gewapende als, even later, de ambachten in
een rekwest aan het stadsbestuur om hun altaren uit de kerk te mogen
verwijderen. Vier jaar lang bleef Antwerpen onder calvinistisch bewind.
Pas de herovering van de stad door Alexander Famese in 1585 zou daar
een eind aanmaken en de katholieke eredienst herstellen. [20]
Contrareformatie
Opnieuw diende de kerk heringericht te worden. Opnieuw
werd een golf van bestellingen geplaatst bij de beste kunstenaars en
dat desondanks de beroerde tijden; de schelde was gesloten en zowat
de helft van de Antwerpse bevolking zocht zijn heil in rustiger oorden.
Sommigen werden bij gebrek aan middelen, of was het uit voorzichtigheid,
verplichtde oude altaren terug te plaatsen in afwachting van betere
tijden. De geest van het kerkinterieur zou er in elk geval grondig door
gewijzigd worden. De oude werken die de toeschouwer moesten aanzetten
tot stille devotie en meditatie, werden vervangen door propaganda voor
het Roomse renouveua: de contrareformatie.[20]
Vernieuwender nog zijn de kunstwerken op de altaren die
pas in de vroege zeventiende eeuw zouden heringericht worden. De stuwende
kracht gaat daarbij uit van een van de grootste schilders alle tijden:
Pieter Pauwel Rubens. In 1608 keerde de meester terug uit Italië na
het bericht ontvangen te hebben dat zijn moeder zwaar ziek was. Bij
zijn aankomst in de Scheldestad was ze echter reeds overleden en misschien
koesterde Rubens plannen om terug te keren naar Italië. Hij had zich
in dit land al een mooie reputatie verworven en er stond hem ongetwijfeld
een schitterende carrière te wachten. De aartshertogen Albrecht en Isabella
boden hem echter de functie van hofschilder aan. Onder het beding dat
hij zich in het Antwerpse mocht vestigen ging de meester op deze uitnodiging
in. [20]
|