Transfiguratie
circa 1518-1520,
‘De transfiguratie’ is Rafaëls laatste schilderij. Het doek, dat haast af was bij zijn dood in 1520, is voltooid door zijn medewerker Giulio Romano. In vergelijking met het traditionele altaarstuk werd het verhalende element sterk aangezet. Dit gold overigens ook voor enkele altaarstukken van zijn tijdgenoten Titiaan en Corregio. Wat dat betreft was er dus sprake van een ontwikkeling.
De transfiguratie is de gedaanteverandering van Christus op de berg Tabor. In Mattheüs 17:2 staat geschreven dat het gezicht van Christus straalde als de zon en zijn kleren het wit van het licht werden. Vervolgens verschenen Mozes en Elia en traden zij met Jezus in gesprek. Door de houding van Christus verwijst Rafaël naar zijn dood aan het kruis. Eveneens zweeft Jezus in de lucht, zoals bij de opstanding. Mozes is in het schilderij herkenbaar aan de tafelen van de wet en Elia aan de boeken van zijn profetieën. De apostelen Petrus, Johannes en Jacobus zijn getuigen van deze gebeurtenis. Alleen Petrus kijkt naar het wonderlijke voorval. In de door Lucas beschreven handelingen van de apostelen is hij de enige die de transfiguratie beschrijft.

Een bewaard gebleven tekening geeft aan dat Rafaël aanvankelijk van plan was alleen de transfiguratie te schilderen. In het uiteindelijke altaarstuk is alleen de bovenste helft aan de transfiguratie gewijd. Het onderste deel illustreert een daaropvolgend Bijbelverhaal. De negen resterende apostelen, links op de voorgrond, worden door een moeder gewezen op haar bezeten zoontje. De apostelen doen een vergeefse poging om de jongen te genezen. Christus geneest hem direct na zijn afdaling van de berg. De twee gebeurtenissen zijn visueel met elkaar verbonden door de gebaren van figuren in het onderste deel.
Een opvallend aspect van dit werk is het bijzonder expressief belichten van onderdelen. Deze belichte delen steken af tegen donkere delen. Latere generaties, waaronder Caravaggio, zullen een voorbeeld nemen aan het theatrale licht en schaduweffecten.
|