Kathedraal Salisbury
Anders dan Franse kathedralen die meestal werden gebouwd op hoge grond
in stedelijke gebieden, werd de kathedraal van Salisbury gebouwd op
een vlakte, ver van de bewoonde wereld. Volgens de overlevering werd
enerzijds voor de bouwplaats gekozen omdat daar een pijl terechtkwam,
die was afgeschoten vanaf een nabij kasteel. Of, anderzijds, vanwege
een droom waarin Maria de bisschop Richard Poore de plaats aanwees waar
de kathedraal nu staat. De bouw van het middenschip vond plaats tussen
1220 en 1262. Omdat de bouwers niet hoefden uit te gaan van een bestaand
gebouw, zoals in Chartres, is het een ongebruikelijk samenhangend ontwerp.
Salisbury is een goed voorbeeld van de vroeg-Engelse stijl.
Aan de buitenkant ziet de kathedraal eruit als een lang, laag gebouw
met een toren op de viering (toegevoegd in de 14e eeuw). Het gebouw
rust op een vijf-lagig grondlijstwerk dat zonder onderbreking het hele
exterieur omvat, zelfs de steunberen, net als bij een Griekse tempel.
De westgevel is zó ontworpen dat hij de onderverdelingen van het interieur
verhult. Dit staat in tegenstelling tot de harmonische gevels die typisch
zijn voor contemporaine Franse gebouwen, waarvan de compartimenten juist
de ruimtelijke indeling van het interieur weergeven. Drie smalle lancetvensters
verlichten de westzijde van het schip. Drie portalen, waarvan het middelste
het hoogste is, geven toegang tot de kerk. Twee kleine torens kronen
de beide zijden van de gevel, maar ze zien er, anders dan op een Franse
kerk, niet belangrijk uit. De hele gevel van Salisbury is onderverdeeld
in horizontale banden met nissen, waarvan de meeste beelden bevatten.
In tegenstelling tot Franse kathedralen zijn de portalen niet versierd
met gebeeldhouwde figuren. [1]
|