Bouwkunst neo- Classicisme
De architectuur van het classicisme is geïnspireerd door de klassieke architectuur en geschriften over architectuur ( m.n. Vitruvius). Dit uit zich onder andere in het overnemen van elementen uit de oudheid, zoals bijvoorbeeld de bouworden (Dorisch, Ionisch, Corinthisch). De theorieën uit de oudheid leidden onder andere tot een grote belangstelling voor harmonische verhoudingen en het streven naar zuivere geometrische vormen (cirkel, bol, vierkant, kubus, rechthoek). Vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw zijn ook in het noorden invloeden van de architectuur uit de oudheid aanwezig ( zie renaissance in het noorden ).

Ledoux: Arc-et-Senans
Met het neo-classicisme wordt specifiek verwezen naar een stijl die grofweg tussen 1770 en 1840 bestaat. De architectuur van het neo-classicisme kan worden ingedeeld in een revolutionaire en een schilderachtige stroming. Kenmerkend voor de revolutionaire tendensen is dat het nastreven van eenvoudige geometrische lichamen en harmonische verhoudingen zo belangrijk werd dat de praktische zaken wel vaker uit het oog werden verloren. Men kwam zodoende tot tekeningen van utopische gebouwen. Vele ontwerpen waren technisch niet realiseerbaar. De ontwerpen streven vaak naar imponerende afmetingen. Etienne Louis Boullée (1728-99) en Claude Nicolas Ledoux (1736-1806) zijn schoolvoorbeelden van revolutionaire architecten. Dergelijke utopische tekeningen zijn een bron van inspiratie voor twintigste-eeuwse architecten geweest.
Het geloof dat rede, moraliteit en de gedachten van de verlichting via de architectuur konden worden verbreid leeft sterk onder de revolutionaire architecten. Natuurlijk moest de architectuur dan voldoen aan bepaalde voorwaarden. Deze randvoorwaarden betroffen onder meer de vormgeving, eerlijk materiaalgebruik en het versmelten van decoratie en constructie. Men spreekt ook over 'architecture parlante', sprekende architectuur.
Boullee Project
Buy this Art Print at AllPosters.com
Het schilderachtige classicisme is veel rustieker van aard. In deze stroming wordt soms zover gegaan in het creëren van een sfeer van poëtische overdenking dat ruïnes werden gebouwd. In tegenstelling tot het revolutionaire classicisme werden harde contrasten en opmerkelijk heldere structuren vermeden. Ook werd veel minder naar monumentaliteit en vereenvoudiging gestreefd. Aandacht voor het detail leidt vaak tot bekoorlijke fantasierijke elementen. Hierbij werd de elegantie van gebouwen uit de klassieke oudheid, met name de Griekse oudheid, als voorbeeld genomen. Kenmerkend is ook de grote aandacht voor de verhouding tussen de architectuur zelf en het omringende landschap. De Engelse architect Robert Adam en de Duitse architect Karl Friedrich Schinkel (1781-1841) zijn richtinggevende voorbeelden.
Gedurende het neo-classicisme werd steeds meer archeologische kennis verworven. Men richt zich niet enkel meer op de Romeinse architectuur, maar eveneens op de Griekse oudheid. Het antieke voorbeeld wordt door architecten zorgvuldig bestudeerd. Verworven informatie over de oudheid komt dus tot uiting in de architectuur
|